Auteur, Bert Wiersema

Altijd prijs.

Het is inmiddels al weer een paar jaar geleden. Met ogen groot van verbazing kijk ik naar het scherm van mijn computer. Een mailtje van mijn uitgever. Gefeliciteerd, je bent genomineerd voor de Thea Beckman prijs, is kort samengevat de inhoud. Ik kijk op mijn horloge. Nee, het is geen 1 april. Verder hebben ze op de uitgeverij best gevoel voor humor, maar niet op die manier. Ik moet er toch maar even een belletje aan wagen. En het blijkt echt waar! De serie “verloren vrijheid” kun je tot de geschiedenisverhalen rekenen, en ze zijn op een of andere manier op de lijst gekomen waar de jury de prijs uit zal kiezen. De prijsuitreiking is in het Archeon, of ik zin heb om daar naar toe te gaan. Ik weet het eigenlijk niet. Ik ben een keer eerder met mijn uitgever naar zoiets geweest. Toen behoorde een van mijn boeken tot de best verkochte van dat jaar. Aan de ene kant wel leuk, je ziet bijvoorbeeld een Carry Slee een keer in het echt, maar er wordt geen prijs uitgereikt en je bent wel weer een zaterdag kwijt. Laat maar. Ja, als ik hem win kom ik natuurlijk wel, maar dat geloof ik zelf echt niet. Een beetje beduusd leg je de hoorn neer. Wat moet ik hier nou mee? Ik kan het niet laten om even te gniffelen. Sommige hooggestemde recensenten duwen mijn werk achteloos in het “pak de boeven” hokje. Onliteraire rommel, en dan sta je ineens voor zo’n prestigieuze prijs genomineerd. Thea Beckman zelf zou er de humor wel van ingezien hebben. Haar werk is ook regelmatig neergesabeld door recensenten. Van haar zijn de historische woorden: “Ach, ze schrijven over iets dat ze zelf niet kunnen.” Maar goed, een nominatie is nog geen prijs. Dus ik schuif de hele zaak maar naar een achterkamertje van mijn geheugen en ga over tot de orde van de dag. En die orde is de laatste tijd behoorlijk druk, zodat ik het voorval verder vergeet. Zo niet een oplettende journaliste. Op de jeugdpagina schrijft ze een kort stukje in de krant. Slordig slaperige lezer als ik ben op zaterdagochtend lees ik er gladjes overheen. Pas de volgende dag merk ik de gevolgen. Mijn moeder belt, en valt meteen met de deur in huis. “Heb jij de Thea Beckman prijs?” “Eh, nee,” stamel ik. “Ik stond er alleen maar voor genomineerd. Maar hoe weet u dat trouwens?” En dan komt het hele verhaal. In de kerk waren er verscheidene gemeenteleden naar haar toe gekomen en hadden haar gefeliciteerd. Aan de ene kant voelde ze zich knap ongemakkelijk, omdat ze van niets wist, maar aan de andere kant heeft een zoon met een Thea Beckman prijs ook wel iets, natuurlijk. Ik haast mij uit te leggen, dat ik de prijs niet heb, maar dat mag haar pret nauwelijks drukken. “Het staat met koeienletters in de krant,” voegt ze mij nog toe. Als het gesprek is beëindigd blader ik de krant nog eens door. Ja, hoor het staat er echt. Weliswaar geen koeienletters maar toch vreemd dat ik daar overheen gelezen heb. Die middag belt mijn zus ook nog. Ze heeft soortgelijke ervaringen als mijn moeder. Ook zelf ben ik inmiddels op het kerkplein hierover aangesproken. Op maandag is het de beurt aan mijn collega’s. Tjonge jonge het houdt niet op. Ja, zulke prijzen hebben zeker wel nut. Zelfs als je niet in de prijzen valt, zit je in de prijzen. Prijzen zijn natuurlijk in de eerste plaats bedoeld om schrijvers aan te sporen tot betere prestaties. En dat werkt. Ik heb twee keer de eigenwijsprijs gekregen, en dat stimuleert echt enorm. Je zit scherper achter je PC. Maar zelfs een prijs die je niet wint heeft zijn effect. Al was het alleen maar om je moeder blij mee te maken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *